Extra CO2 vastleggen? Niet met NKG

Het toepassen van niet-kerende grondbewerking heeft geen effect op de hoeveelheid koolstof die de grond vastlegt. Tenminste, geen eenduidig effect. Dat blijkt uit eerste resultaten van onderzoek van Wageningen University & Research en het Louis Bolk Instituut.

In het Klimaatakkoord staat dat Nederland vanaf 2030 0,5 megaton (500 kiloton), CO2-emissie moet verminderen door die CO2 vast te leggen in landbouwgrond. Maar hoe doe je dat? Om daar achter te komen, deden Wageningen University & Research en het Louis Bolk Instituut onderzoek in het kader van het onderzoeksprogramma Slim Landgebruik, gefinancierd door het ministerie van LNV. Tegelijkertijd werd in de studie onderzocht of dat het vastleggen van CO2 gepaard gaat met het behouden van of verbeteren van de bodemkwaliteit. In het najaar van 2018 en 2019 zijn in verschillende langetermijnexperimenten en op praktijkbedrijven verspreid over heel Nederland op zand en klei bodemmetingen gedaan.

Effect op bodemdichtheid

Uit de tussenresultaten van dit onderzoek blijkt dat niet-kerende grondbewerking onder Nederlandse omstandigheden geen positief effect heeft op het vastleggen van koolstof in de bodem. Het lijkt er zelfs op dat toepassing van NKG vooral in de diepere bodemlagen leidt tot een afname van koolstof. Dat laat zich redelijk eenvoudig verklaren: je houdt meer organische stof in het bovenste deel van de bouwvoor als je niet meer ploegt.

Toch zijn er ook metingen gedaan op NKG-percelen waarbij wél koolstof werd vastgelegd. Daarom bekijken de onderzoekers nog of en onder welke omstandigheden NKG mogelijk wel tot koolstofvastlegging kan leiden. Als een paal boven water staat dat niet-kerende grondbewerking een effect heeft op de bodemdichtheid, de verminderde indringingsweerstand en het betere watervasthoudend vermogen van de bodem. Maar vooralsnog hoef je er voor het vastleggen van extra CO2 dus niet aan te beginnen.

Meer granen in het bouwplan leiden op termijn tot extra vastlegging van CO2.


Ook de teelt van veel groenbemesters zorgt ervoor dat er meer koolstof wordt vastgelegd.


Meer tarwe

Een ander bouwplan heeft wat dat betreft meer zin. Verbouw je namelijk 25 procent meer granen in het bouwplan, dan leg je over een periode van 30 jaar 1,6 ton CO2 per hectare per jaar extra vast. Zaai je meer granen in en combineer je dat met de teelt van groenbemesters, dan kun je nog meer voordeel halen. Er zijn wel verschillen tussen grondsoorten en regio’s, maar in alle gevallen zorgen meer granen en meer groenbemesters tot meer koolstofvastlegging. Tegelijkertijd neemt de hoeveelheid organische stof toe en er is ook een toename van de totale schimmel- en bacteriële biomassa. Ook ontstaat er door deze maatregel meer oplosbare koolstof in de bodem.

Compost en mest

Het gebruik van mest en compost in plaats van kunstmest leidt ook tot een verhoogd koolstofgehalte en een hogere koolstofvoorraad in de bovengrond. Door compost toe te voegen stijgt het organischestofgehalte, komt er meer oplosbare koolstof in de bodem en stijgt ook het stikstof-, fosfaat- en kaliumgehalte in de bodem. Gebruik je extra dierlijke mest dan zorgt dat vooral voor meer organische stof en stikstof in de bodem. Hoeveel? Het ligt volgens de onderzoekers ergens tussen 0 en 4 ton CO2 per hectare per jaar. Toch plaatsen de onderzoekers een kanttekening bij deze uitkomst. Want uiteindelijk kunnen niet alle boeren op deze manier extra koolstof vastleggen. Dat hangt namelijk af van de beperkingen in de mestwetgeving en de beschikbaarheid van organisch stofrijke meststoffen als compost en vaste mest.

Minder scheuren

Ook grasland ouder laten worden en dus minder vaak of minder snel scheuren, heeft op kleigrond in het noorden van Nederland een flink effect op zowel de koolstofvoorraad als het koolstofgehalte in de bodem. Volgens de onderzoekers gaat het om een toename van 1,5 ton CO2 per hectare per jaar. In de ondergrond daarentegen leidt die maatregel niet tot een toe- of afname van de hoeveelheid koolstof. Zoals gezegd, werkt de maatregel alleen op klei. Op zandgronden zien de onderzoekers het koolstofgehalte of de koolstofvoorraad in de laag van 0 tot 60 cm niet stijgen. Dat zou volgens hen komen door het relatief hoge gehalte organische stof van de onderzochte percelen. De onderzoekers denken dat het mogelijk is dat er daardoor al een evenwicht is bereikt. Misschien - maar dat weten ze niet zeker - zou er op armere zandgronden meer effect te zien zijn als grasland later wordt gescheurd. Hier wordt nog meer onderzoek aan gedaan.

Voorzichtig

Zou je de gemakkelijk uitvoerbare maatregelen uitvoeren, zoals dierlijke mest en compost toevoegen aan de bodem, dan zou je in Nederland technisch gezien maximaal 1.000 kton CO2 per jaar in de bodem kunnen vastleggen. Daarmee zou je dus ruim voldoen aan de streefwaarde die in het Klimaatakkoord is vastgelegd. Maar je moet je niet rijk rekenen, zo geven de onderzoekers aan. Het vastleggen van koolstof moet afgewogen worden tegen de emissie van lachgas uit de bodem. Die zou namelijk wel eens kunnen stijgen. Bovendien zijn de berekeningen nog maar een eerste aanzet. De getallen moeten nog verder worden aangevuld en verfijnd. Dat gebeurt in vervolgonderzoek. Daarin willen de onderzoekers onder meer kijken naar verdergaande aanpassingen van het bouwplan, de inzet van groenbemesters, de wisselteelt van mais en gras en het toepassen van akkerranden, heggen en hagen.

Bodemverstoringsindex

De onderzoekers maken tegelijkertijd een begin met, wat ze noemen, een bodemverstoringsindex. Die moet inzicht verschaffen in de mate waarin een bepaalde grondbewerking de bodem verstoort. De index houdt rekening met de rijsnelheid, het soort werktuig, de bewerkingsdiepte en het percentage waarmee het de oppervlakte verstoord. Uit die voorlopige berekeningen wordt duidelijk wat velen al vermoedden: de bodem wordt meer verstoord door te ploegen, dan door een gereduceerde grondbewerking. De onderzoekers willen de index nog verder ontwikkelen en testen, zodat er een relatie gelegd kan worden tussen de intensiteit van bewerkingen en de koolstofvastlegging.